Wat is godsdienstig vormingsonderwijs?

Godsdienstonderwijs op openbare basisscholen:
een introductie in bijbelse en christelijke geloofstradities

Kinderen maken kennis met het christendom (en andere godsdiensten) en de Bijbel. Door verhalen, symbolen en gebruiken krijgen de leerlingen inzicht in de wereld van geloven. In woorden en taal om over hun eigen levensbeschouwing na te denken.

Dit onderwijs biedt leerlingen de kans om begrip en respect op te bouwen voor de godsdienst of overtuiging van anderen. Zo worden ze voorbereid op het innemen van hun eigen rol in een samenleving die multicultureel en multireligieus is.

Omdat de naam godsdienstonderwijs vooral lijkt te doelen op cognitieve kennisoverdracht, wordt tegenwoordig vaak de naam godsdienstig vormingsonderwijs gebruikt (afgekort als GVO). De term godsdienstonderwijs is de term die wettelijk wordt gebruikt.

Facultatief

Lessen godsdienstonderwijs op de openbare basisschool zijn facultatief. Wettelijk is vastgelegd dat ouders het recht hebben ruimte te vragen voor godsdienstonderwijs. Dat is al vanaf 1842 het geval. Vanaf 1963 bestaat dit recht ook voor humanistisch vormingsonderwijs.

Docenten

De lessen godsdienstonderwijs worden gegeven door docenten van buiten de school, die door hun 'zendende instantie' zijn aangewezen om dit onderwijs te geven.

De basis voor dit onderwijs is te vinden in de Wet op het Primair Onderwijs

  • Artikel 50: Het bevoegd gezag [van de openbare school] stelt de leerlingen in de gelegenheid op de school, binnen de schooltijden, godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen. Van de tijd daaraan te besteden worden ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 8, zevende lid, aanhef en onder a, ten minste moeten ontvangen. Voor de leerlingen die dit onderwijs niet volgen, voorziet het bevoegd gezag in andere onderwijsactiviteiten op de school.
  • Artikel 51: Godsdienstonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens hun statuten het geven van godsdienstonderwijs ten doel stellen. Levensbeschouwelijk onderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke grondslag.

Zendende instanties

De kerken en organisaties op geestelijke grondslag, bedoeld in artikel 51, worden aangeduid als 'zendende instanties'. Zij zijn bevoegd gezag voor dit onderwijs en benoemen de docenten. De openbare scholen zijn slechts gastheer.

De openbare school

Het karakter van de openbare school verschilt principieel van dat van de bijzondere school. Als school van de overheid heeft de openbare school geen voorkeur voor een bepaalde religie of levensovertuiging. Levensbeschouwelijk is de staat neutraal. Vroeger werd deze karakteristiek ook wel op de openbare school toegepast.

Tegenwoordig wordt het openbaar onderwijs getypeerd als actief pluriform. Daarin is aandacht voor waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving, met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden. Het onderwijs is algemeen toegankelijk voor alle kinderen en wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging. Dit is verwoord in artikel 46 van de Wet op het Primair Onderwijs.

Geestelijke stromingen

Deze opdracht voor de openbare scholen omvat ook het kennisgebied 'geestelijke stromingen' waaraan ook door het bijzonder onderwijs aandacht moet worden besteed. Hierbij geldt uiteraard voor de openbare school dat zij geen voorkeur uitspreeekt voor de een of andere levensbeschouwing. Dit geldt niet voor het onderwijs dat krachtens art. 50 en 51 WPO op verzoek van de ouders in de door hen gekozen godsdienst of levensovertuiging wordt gegeven.